Bankenpacht - geschreven door Andre van Zwieten

Dit verhaal is ook te beluisteren op Spotify >>>

Datum: 10-11-2025
Schrijver: Andre van Zwieten

Aan de hand van mijn vader liep ik op een kille zondagochtend, na de hoogmis, naar het kerkzaaltje omdat mijn moeder bij thuiskomst had ontdekt: ‘Piet, je moet nog terug, voor het plaatsengeld!’

‘Ik ga wel even’, mijn vader zei het met hoorbare tegenzin.

Het kerkzaaltje lag aan de overkant van het kerkplein.

Op verboden gebied, want in de buurt van de rooms-katholieke meisjesschool St. Jozef. Ik zat op de Antoniusschool, de rooms-katholieke jongensschool.

Het kerkzaaltje zat aan het eind van het blok dat aan het klooster was gebouwd, en dat blok bevatte behalve dat zaaltje een paar woningen die werden verhuurd aan de hoofdonderwijzer van de meisjesschool – Meester De Klerk – en aan meneer Fortkamp, het hoofd van de RK Mulo. Het kerkzaaltje werd gebruikt als aula, maar ook voor koorrepetities en vergaderingen, de Rooms Katholieke scouting én om missiefilms te vertonen.

Van de benedenramen waren de luiken meestal gesloten, en het daglicht kwam door de kleine ruitjes daarboven naar binnen. In dat zaaltje waren altijd elektrisch lampen aan. Grote witte ballonnen schenen gelig in de ruimte. De kale houten vloeren klonken hol.

Via een vanwege de hoge treden moeilijk te beklimmen gemetseld trapje liep ik met mijn vader naar binnen, door de vestibule de zaal in.

Links en rechts stonden groepjes mannen in hun zondagse pak, het hing er blauw van de sigarenrook. Een prominent lid van het kerkbestuur had uitgedeeld uit zijn houten doos met bolknaks. Zijn jasje hing half open en tussen de revers zag ik het blinkend zilver van de horlogeketting op zijn vest. Van de rest van de mannen zag ik alleen de rug van hun donkere jas, de opgeschoren nek bovenin zichtbaar.

‘Zo, Van Zwieten!’ klonk het luid, jolig.

Mijn vader groette bedeesd terug, en liep naar de rij mensen voor de tafel, waarachter twee eveneens sigarenrokende heren druk bezig waren met het noteren van namen en het tellen van geld.

Op de tafel stond een sigarenkistje open, waar stapeltjes biljetten van tien en vijfentwintig gulden in lagen, en wat losse guldens, kwartjes en dubbeltjes. Voor het middenstandersgezin waarin ik opgroeide was een bankbiljet van meer dan 10 gulden een zeldzaam fenomeen. Alleen rijke klanten betaalden ermee. En mijn vader had daar, in de eerste jaren van zijn nering, lang niet altijd van terug.

Wij waren aan de beurt. ‘Welke plaatsen zijn nog vrij, halverwege aan de zijkant, voor de mis van elf uur?’ vroeg mijn vader.

‘Rij twaalf, uiterst rechts, twee maal’ zei de man zakelijk, en schreef mompelend ‘van Zwieten’ in een groot kasboek. Die plaatsen waren, bleek later, achter een pilaar die mij het zicht ontnam op de mystieke handelingen die ver vooraan op het altaar werden verricht. De mis van elf uur zou zo tot een hoorspel worden waarbij ik mij tot in lengte van jaren een uur of vaak langer stierlijk verveelde.

‘Die zijn elk 17 gulden vijftig voor het hele jaar’. zei de man met het sigarenkistje geld voor zich.

Mijn vader betaalde met drie briefjes van 10 en twee rijksdaalders, kreeg een ontvangstbewijs, wenste de mannen nog een prettige zondag en draaide zich om zonder een tegengroet af te wachten. Mij met zachte dwang meetrekkend, want ik was te verbaasd over de grotemensenwereld waarin ik verzeild was geraakt, te verbaasd ook om de lichaamstaal van mijn vader meteen te begrijpen.

‘Van Zwieten’ groetten een paar mannen in hun donkere pak, een bijna neerbuigend soort beleefdheid. Ze kwamen bij ons in de zaak, zag ik.

Mijn vader knikte nog beleefder terug en liep naar buiten om mij aandachtig het steile gemetselde trapje af te helpen.

Toen we de hoek om waren, vroeg ik: ‘Pappa, moeten mensen hier betalen om in de kerk te kunnen zitten?’

“Ja”, antwoordde hij,

“’t Is weggegooid geld.”