Passie liefde en verdriet – Ron Meinema

Dit verhaal is ook te beluisteren op Spotify >>>

Datum: 24-01-2025
Schrijver: Ron Meinema

Ineens stond er een motorrijder voor de deur, gekleed in leer als een moderne ridder, een jethelm met bijpassende bril en een mondkapje tegen de muggen en vliegen die als kamikaze-piloten tegen hem aanvlogen. Onder zijn zitvlak brulde een klassieker: een echte Velocette Venom Truxton, zwart met gouden letters en schitterende visstaart-uitlaten van glanzend chroom. Het hele plaatje straalde iets magisch uit, iets wat ik op dat moment nog niet kon benoemen.

Dit beeld bleef ergens in mijn onderbewustzijn hangen, alsof een zaadje was geplant. In mijn familie was er geen enkele connectie met motorrijden, deze tweewielige gevarenbeesten interesseerden niemand. De motorrijder bleek echter de jongen te zijn die een oogje had op mijn zus. Ze zaten vaak bij ons op de bank, verliefd te flirten en te zoenen. Mijn vader vond het maar niets en liet duidelijk merken dat dit buiten de deur moest gebeuren. Binnen moest er “normaal” gedaan worden. Dus bracht de motorrijder, mijn latere zwager, zijn motorblaadjes mee om de tijd door te komen bij zijn strenge schoonouders.

Deze motorblaadjes bleven liggen en begonnen langzaam mijn interesse te wekken. Ik begon ze te lezen, en mijn nieuwsgierigheid groeide. Het blad ‘Motor’ was het enige motorblad in Nederland en tevens het officiële orgaan van de KNMV. Het werd wekelijks uitgebracht in zwart-wit. De verhalen over motorracen en de technische hoek waar iemand de techniek in eenvoudige taal uitlegde, boeiden me. Eind jaren zestig, werd motorrijden met de opkomst van de Japanse motorindustrie een echte hobby. De Japanners hadden goed gekeken naar de Europese merken en kopieerde en verbeterden de basis van deze motorfietsen op hun eigen manier. Het bleek een succes te zijn en de Jap was een feit. Mijn interesse groeide snel en ik verslond de motorblaadjes alsof het snoep was.

Het was duidelijk: ik wilde een brommer, maar wel een zo goedkoop mogelijke. Ik wist het: als ik achttien ben, moet er een motor komen. En zo kwam er, toen ik de leeftijd bereikte, een Yamaha YDS 6 in mijn leven. Een tweetaktmachine met ronde klokken op het stuur, speciale rode metallic lak met witte biezen, chromen velgen en spaken, en zelfs een stuurdemper die je met de hand kon aandraaien. Deze had ook een automatisch smeersysteem voor de tweetaktmotor. Het was belangrijk om altijd de olie te controleren, anders liep de boel in de soep, en dat kon ik me op die leeftijd natuurlijk niet veroorloven. Deze Yamaha had dertig paardenkrachten aan boord.

Als een trotse pauw reed ik naar het gemeentehuis om een proefrijbewijs te halen. Met dit proefrijbewijs mocht je alleen binnen de gemeentegrenzen rijden. Prachtige rookpluimen blazend en met grote snelheid maakte ik de straten van de gemeente onveilig. Tegelijkertijd moest ik rijlessen volgen bij een rijschool met een Honda 125, waar de instructeur achterop zat met een stuur achter zijn rug. Mocht ik te gek doen, dan kon hij ingrijpen met dat stuur voorzien van rem en koppeling. Het afrijden in Utrecht was geen probleem; ik slaagde in één keer. Helaas nam ik het theorie-examen te licht op en moest ik dat uiteindelijk drie keer doen. Driemaal is scheepsrecht, zullen we maar denken! Met het papiertje op zak kon ik nu ook buiten de bebouwde kom, onbezonnen capriolen uitvoeren.

Mijn zus woonde inmiddels in Woudenberg, en ik ging in de stromende regen via Maarsbergen op bezoek. Ik had goed gelezen hoe je als coureur op de motor moest zitten, in de stijl van Giacomo Agostini, vijftienvoudig wereldkampioen. In de winkelstraat van Woudenberg moest ik linksaf slaan. Natuurlijk wilde ik zo laat mogelijk remmen en de snelheid zo lang mogelijk behouden. Gekleed in een regenpak ging het mis; een blokkerend voorwiel betekende dat ik grondonderzoek moest doen. Glijdend over de weg met een regenpak dat perfect gleed en scheurde in de nattigheid.

Het eerste leermoment was een feit. Een deuk in de tank, een deuk in mijn ego, en nadenkend over wat dit allemaal zou gaan kosten. Conclusie: “Er valt nog veel te leren.”